vrijdag 22 juni 2012

Dag 101 Triacastela - Samos 10 km

 

Van Triacastela loopt de Camino over de groene heuvels van Galicië naar Sarria, waar ik morgenavond mijn zwager Jan hoop te ontmoeten om de volgende dag samen verder te lopen naar Santiago.


Naar Sarria is het nog slechts 20 kilometer te gaan, zodat ik daar een dag te vroeg dreig aan te komen. Ik kies daarom voor een omweg door het dal van de Sarria naar Samos, om daar in de Benedictijner abdij te overnachten. Zo wil ik mij tenminste één dag de echte pelgrim kunnen voelen, met alles erop en eraan.
Het is een mooie tocht door een ongerept landschap met holle wegen en een rijke vegetatie door het gematigd klimaat, waardoor het vingerhoedskruid er weelderig bloeit.



Plotseling ligt daar in de diepte het imposante klooster, waarvan de oorsprong uit de 6e eeuw dateert.

 
 

Ik hoop voor één dag mijn intrek in de abdij te kunnen nemen, om de dag verder biddend door te brengen, maar die vlieger gaat niet op. De pelgrimsherberg is hermetisch van het klooster afgesloten, en tegen betaling krijg ik een rondleiding, tegelijk met een buslading Italiaanse toeristen.


 Van de 15 Benedictijnen, die de abdij nog bevolken, loopt er slechts één in het wild rond, een dikke pater die achter de toonbank van de souvenirwinkel stempels uitdeelt voor de credencial, en die bijna explodeert van woede wanneer ik niet onmiddellijk zijn verzoek in het Spaans begrijp om mijn credencial op een speciaal stempelkussen neer te leggen. Net als vrijgezellen worden paters vaak te weinig gecorrigeerd!
Ik had verwacht vanavond bij de paters aan tafel te zitten om samen met hen stilzwijgend een homp brood met een glas goedkope wijn te drinken, maar ik moet mijn heil zoeken in een van de restaurantjes aan de overkant van de straat.

 
Ik heb mij wèl voorgenomen in elk geval de vespers en de lauden bij te wonen. Ook dat gaat allemaal niet zo soepel: morgenvroeg word ik om 7.30 uur uit de kloosterherberg geflikkerd, en dan mag ik een uur later voor de lauden terugkomen. Vanavond heb ik al wel de vespers en de pelgrimsmis bijgewoond.

 
Het mag zo zijn dat ik vannacht tegen mijn gewoonte in weer eens tussen de snurkers en de stinkers lig, maar de pelgrimszegen die ik na de mis heb ontvangen nemen ze mij niet meer af!



donderdag 21 juni 2012

Dag 100 O Cebreiro - Triacastela 21 km

 

In geen enkel bergdorp, waar ook ter wereld, vind je zoveel nationaliteiten bij elkaar als in O Cebreiro. In de plaatselijke herberg zat ik gisteravond aan een lange tafel, met links van mij een Portoricaan, een Noor, en een Zuid -Afrikaanse vrouw. Aan andere tafels herkende ik van eerdere ontmoetingen Fransen, Amerikanen, Brazilianen, en een Japans echtpaar, en dan heb ik nog lang niet alle nationaliteiten genoemd.


Tegenover mij zaten waarschijnlijk de enige Spanjaarden, de 35-jarige Christina uit de Extremadura, en haar moeder. Zij zijn 2 dagen geleden samen aan de Camino begonnen. Christina, een intelligente vrouw die vloeiend Engels spreekt, vertelt dat zij na haar studie informatica Mandarijns Chinees is gaan studeren, en dat zij onlangs is teruggekeerd uit Taiwan waar zij haar talenstudie twee jaar lang heeft voortgezet. Als ik haar vraag of zij een partner heeft raakt zij hevig geëmotioneerd. Haar vriend uit Barcelona heeft onlangs tot haar groot verdriet de relatie beëindigd. Wij zijn het er met elkaar over eens dat het vooral voor een vrouw soms heel lastig is serieuze ambities te combineren met de liefde, zeker in een macho-maatschappij als Spanje.
Na het prachtige weer van gisterochtend is het later op de dag hevig gaan waaien en regenen, maar vanmorgen is het gelukkig droog, en in de loop van de dag klaart het steeds verder op.


Een gisteren ingevlogen stel Amerikaanse vrouwen, dat zo uit Sex and the City weggelopen lijkt te zijn, laat de bagage met een taxi vervoeren, en gaat luid kwekkend op pad, in schoolreisje-stemming.
Ik kom al heel gauw Christina en haar moeder tegen. Zij hebben duidelijk plezier in de onderneming.


 Achter mij hoor ik een vrouwenstem neuriën, en even later word ik ingehaald door een jonge vrouw die zich, als we een praatje hebben gemaakt, voorstelt als Malin, 32 jaar,en afkomstig uit Stockholm. Zij werkt daar als sociaal werkster voor patiënten met het syndroom van Asperger.

 
Na een vastgelopen relatie met een depressieve man probeert zij haar leven weer op orde te krijgen. Het lopen van de Camino maakt daar deel van uit. Wij wandelen de hele verdere dag samen tot Triacastela, en vertellen onderweg elkaar onze levensgeschiedenis. Het blijft wonderlijk om te ervaren dat je op de Camino als vanzelfsprekend tot een openhartig gesprek komt als je daar behoefte aan hebt. Bijna iedere pelgrim heeft zijn verhaal, en wil dat graag kwijt als hij voelt dat niet uit nieuwsgierigheid, maar uit oprechte belangstelling naar de reden van zijn pelgrimstocht wordt gevraagd.


Het einde van mijn eenzame tocht raakt in zicht, maar de laatste 100 kilometer krijg ik gezelschap van mijn zwager Jan, de man van mijn oudste zus Rineke. Hij vliegt eind deze week naar Spanje, waar ik zaterdagavond in Sarria op hem wacht.
Jan maakt al 50 jaar deel uit van mijn familie, en is als een broer voor mij. Wij delen bijna een mensenleven aan herinneringen.


Als hij vermoedde dat ik hem nodig had was Jan er in het verleden altijd voor mij en mijn gezin. Hij kon dan soms onaangekondigd voor mijn neus staan. Dat vergeet je niet gauw.
Ik vind het heel bijzonder dat wij samen de laatste kilometers naar Santiago gaan afleggen, op een moment dat ik er enorm naar verlang weer thuis te zijn.

woensdag 20 juni 2012

Dag 99 Vega de Valvarce - O Cebreiro 15 km


De brave ANWB-gids had gewaarschuwd dat mij vandaag met de beklimming van de Cebreiro nog een zware passage te wachten zou staan.
Ik loop echter naar boven met twee vingers in de neus, en ben al rond het middaguur op de plaats van bestemming.


 De afgelopen drie maanden heb ik de fysieke conditie opgebouwd van een jonge vent, en daar ben ik stiekem best trots op.
Het klimaat in dit gebied is erg guur, met mist en sneeuw tot in mei, maar vandaag is het een mooie zonnige dag. Over de berghellingen met bloeiende brem heb ik uitzicht tot het gebergte diep in het achterland.


Een stenen grenspaal markeert de grens tussen León-Castilla en Galicië, de westelijke provincie, waarin ook Santiago is gelegen, en waar geen Castellaans (Spaans) meer wordt gesproken, maar Galicisch, een taal verwant aan het Portugees.


O Cebreiro is een typisch bergdorp, waar nog een aantal traditionele pallozas bewaard is gebleven, natuurstenen gebouwen met een rietgedekte kap tot bijna aan de grond.



Tussen de huizen bloeit overal de boerenjasmijn. Ik heb daar dierbare herinneringen aan, omdat Maddy in deze periode van het jaar in de hal van de Hilvaria Studio's steeds prachtige boeketten maakte van takken boerenjasmijn, die zij dan met pioenrozen combineerde.
 

Zij had die combinatie ontdekt op een schilderij van Caravaggio.
Ten tijde van haar ziekte struinden wij met de auto de wijde omgeving af op zoek naar geschikte takken. De boerenjasmijn, die wij op zeker moment zelf hebben geplant, heeft zij niet meer groot zien worden.
In het casa rural, waar ik terecht ben gekomen, heb ik vandaag alle tijd om een beetje te lummelen en mijn was te doen. Eerst ga ik uitgebreid in bad, met uitzicht op het kerkje en op de pelgrims die het gehucht binnenlopen.
Het kerkje is het eerste dat ik tegenkom in Spanje, waar nog een kaars kan worden aangestoken in plaats van zo'n raar kerstboomlampje.
Het worden twee grote noveenkaarsen, want ik heb naast veel intenties ook veel om dankbaar over te zijn.

dinsdag 19 juni 2012

Dag 98 Cacabelos - Vega de Valcarce 23 km


Het is steeds weer wonderlijk om te zien hoe de coulissen van het landschap om mij heen dagelijks verschuiven. Zondag bevond ik mij nog in een ruig bergachtig gebied bij het Cruz de Ferro, gisteren was het de periferie van de moderne stad, en vanmorgen wandel ik weer door een prachtig heuvelachtig wijnbouwgebied.
 

Ik ben nog ongeveer 200 kilometer van Santiago verwijderd, en steeds meer wordt merkbaar dat de Camino ook een toeristisch fenomeen is. Sommige dorpen aan de Camino zien er opgepoetst uit, net als de typische toeristenplaatsen zoals je die in Frankrijk en Duitsland ook tegenkomt.
Ik ben al toeristen in het wild op de Camino tegengekomen, uit de bus losgelaten om even te ervaren hoe het voelt de Camino te lopen. Soms levert dat hilarische taferelen op. Een paar dagen geleden was ik op een traject waar de Camino parallel aan een landbouwweg liep. Daar kwam op zeker moment een luxe Duitse autobus voorbij die stapvoets ging rijden toen ik in beeld kwam. Achter de raampjes zag ik allemaal grijze hoofden die mij enthousiast toezwaaiden. Ongetwijfeld hebben ze "Bon Camino" geroepen, maar dat kon ik niet horen door de gesloten ramen van de bus met airco.
In Trabadelo loop ik vanmiddag een café binnen voor de lunch, en hoor daar het vrouwtje achter de bar in onvervalst Rotterdams aan mij vragen wat ze voor mij kan doen. "Cherchez l'homme" denk ik dan onmiddellijk, en inderdaad: de Rotterdamse Elly is hier 4 jaar geleden een Bar-Pensión begonnen met de Spaanse Santiago, die even later achter de bar verschijnt. Tot mijn stomme verbazing begint Santiago te praten in zo mogelijk nog platter Rotterdams. Zijn vader kwam in 1963 als gastarbeider naar Nederland, en hij groeide op in Crooswijk. Zij hebben het hier erg naar de zin, en merken dat het elk jaar drukker wordt op de Camino.



Verderop in het dorp zie ik een wat treurige man op slippers lopen, kennelijk een pelgrim die zijn kilometers heeft gemaakt, en hier ergens overnacht. Het is Pierre uit Lanaken bij Maastricht, eind maart thuis vertrokken. Hij loopt met zijn ziel onder de arm, en voelt zich een beetje "ambetant", een woord dat ik niet ken, maar het komt er op neer dat hij het een beetje heeft gehad. Hij wil na drie maanden weer naar huis, naar zijn vrouw. Ik herken dat gevoel.


Morgen wacht mij de laatste serieuze beproeving op mijn pelgrimstocht: de klimtocht naar het 1300 meter hoog gelegen O Cebreiro. Ik ben daar geweest toen ik in 1989 met Maddy en de kinderen per auto langs de belangrijkste plaatsen van de Camino ben gereden. Het was hondenweer, en wij zaten daar in een herberg, toen een ouder paar binnenkwam, waarvan de vrouw hartstochtelijk begon te huilen, naar later bleek van uitputting door de steile klim. Het is mij altijd bijgebleven, en wellicht is daar de kiem gelegd van het idee dat ik al vele jaren heb gehad om ooit naar Santiago te lopen.
Intussen slaap ik vannacht letterlijk in de schaduw van het imposante 80 tot 130 meter hoge viaduct dat de A6, de autosnelweg van Madrid naar Santiago, over het dal van de Valcarce voert.


 

maandag 18 juni 2012

Dag 97 Molinaseca - Cacabelos 25 km


 Gisteravond kwam ik in Molinaseca het stel Amerikanen tegen, dat ik eerder op de dag bij het Cruz de Ferro had aangetroffen. Ik zag daar hoe zij rondom de voet van het kruis een kring vormden, terwijl zij elkaars hand vasthielden. Zo bleven zij langdurig in stilte staan. Ik was toen onder de indruk van de ceremonie, en nu ik hen weer zag kon ik niet nalaten te informeren voor wie het eerbetoon was bestemd. De man keek mij ernstig aan, en zei dat hij met zijn familie bij het kruis een gedeelte van de as had uitgestrooid van hun op 11-jarige leeftijd helaas te vroeg overleden lievelingshond.
Een echte hondenliefhebber zal het wel begrijpen...


De Camino doorkruist vandaag de buitenwijken en periferie van de provinciestad Ponferrada, vooral bekend vanwege de reusachtige Burcht, in de 12e eeuw door de Spaanse koning aan de Tempeliers geschonken om pelgrims op weg naar Santiago bescherming te bieden.
In een buitenwijk stuit ik op een opmerkelijk staaltje van de ook in Nederland zo populaire rotonde-kunst: een monument ter ere van -geloof het of niet- bloeddonoren.


Ik vraag mij af wie het gemeentebestuur zo gek heeft gekregen hier aan mee te werken: het plaatselijke Rode Kruis of een handige kunstenaar?
Op het ongezellige traject beleef ik wel veel genoegen aan de talrijke kersenbomen langs de weg vol heerlijke rijpe kersen, waar ik dol op ben.

 
 

De onderste takken zijn steeds vakkundig geplunderd door passerende pelgrims, maar aangezien ik iets langer ben dan de gemiddelde pelgrim kom ik toch aan mijn trekken. Het wordt een stuk eenvoudiger wanneer ik langs de weg een man aantref met een paar kistjes kersen, die hij aanbiedt in ruil voor een donativo, de langs de Camino zo populaire -en sympathieke- vrijwillige bijdrage.

 

En zo leren wij toch weer over de bijbelse wijsheid dat wij moeten doen als de vogels in de lucht: gewoon kersen plukken die je onderweg tegenkomt!



zondag 17 juni 2012

Dag 96 Rabanal del Camino - Molinaseca 26 km


 Gisteravond heb ik Maddy's steen van van de halsketting ontdaan, en heb ik ook de andere zaken die ik bij mijn vertrek heb meegekregen om bij het Cruz de Ferro achter te laten zorgvuldig klaargelegd: medailles, een rozenkrans, mantra's, een reisrelikwie, en een steen die ik meekreeg van iemand die mij in het hart heeft gesloten.


In alle vroegte verlaat ik vanmorgen mijn hotelletje in Rabanal del Camino.
Op de Camino is het nog rustig.


Het is zondagmorgen. Ik denk aan de zorgeloze zondagochtenden die ik graag met Maddy in bed doorbracht.
Ik maak het ontbijt klaar met een omelette of een tosti, en verse jus d' orange. Intussen worstelt Maddy zich door de stapel kranten en tijdschriften van de afgelopen week.
Op haar buik liggend leest zij de krant, terwijl ze smakelijk haar ontbijt verorbert. Ik heb nooit begrepen hoe zij dat voor elkaar kreeg. Zelf geef ik er de voorkeur aan mijn zachtgekookt eitje aan de keukentafel op te eten, om daarna weer in bed te duiken. Terwijl Maddy naast mij haar sudoku invult koester ik mij in de ochtendzon die door het slaapkamerraam naar binnen valt. Naar buiten kijkend stel ik tevreden vast dat de tuin er netjes bijligt, nadat ik de zaterdag tevoren het gras heb gemaaid en de heggen gesnoeid.


 Ik voel een nerveuze spanning als ik na 2 uur lopen bij het Cruz de Ferro aankom.
Een groep lawaaierige fietsers staat op het punt te vertrekken, en ik wacht op een goed moment om te doen, waarvoor ik hier gekomen ben: een plaatsje zoeken voor de steen die de trouwring van Maddy herbergt.
Ik ben altijd heel resoluut als ik keuzes moet maken, maar deze keer weet ik niet goed wat ik met de steen moet aanvangen. Het ligt voor de hand de steen aan de voet van het metershoge kruis te leggen, maar ik wil niet dat het kleinood daar vertrappeld wordt onder de voeten van toeristen die zich triomfantelijk bij het kruis laten fotograferen.


Ik kies voor een onopvallende plek in de flank van de steenhoop, en verberg de steen daar onder enkele rotsblokken, samen met de steen die ik bij mijn vertrek heb meegekregen.


Ik dek beide stenen zorgvuldig af met een aantal grote keien. Op één ervan lees ik aan de onderkant nog de tekst "An allen gefallenen Soldaten".
De medailles en andere memorabilia hang ik aan het kruis, zoals iedereen dat doet.


Het neerleggen bij het Cruz de Ferro van de steen, die je als pelgrim bij je draagt, zou moeten voelen als een last die van je schouders afvalt, maar zo voelt het bij mij helemaal niet.
Het afstand doen van zoiets dierbaars als de trouwring van Maddy voelt eerder als een betekenisvol gebaar, dat het begin van mijn leven na haar markeert. Ik voel daarbij vooral verdriet om het lijden dat Maddy heeft moeten doorstaan, en verdriet om de eenzaamheid van doodgaan.


Aangeslagen begin ik aan mijn afdaling naar Molinaseca, maar ik word al heel gauw opgevrolijkt door een telefoontje van mijn kleinzoon Hugo. Onbekommerd neemt hij de draad op waar hij in het telefoongesprek van vorige week gebleven was: het gaat over de cadeautjes die hij van opa heeft gekregen, en nog gaat krijgen.
Ik krijg daarna Eva aan de lijn. Zij is aangenaam verrast over de ode die ik gisteren op mijn blog aan haar moeder heb gebracht, en laat merken dat zij daar blij mee is. Krijg ik toch nog een cadeautje voor vaderdag!

In El Acebo zit ik op een terras aan de lunch wanneer daar een op het oog bejaard paar komt aangereden in tropentenue. Hij fietst in een heel kort broekje, en zij draagt een soort bikini over het rimpelige vel. Het blijken Nederlanders: Jan en Els uit Spanbroek (nomen est omen!).
Ik vraag of ik een foto mag maken voor mijn blog, en zij voelen zich daarmee zeer vereerd. Els wil nog haar vest voor de foto aantrekken, maar dat is nu juist niet mijn bedoeling.


Ik wil voor de blog nog weten hoe oud zij zijn. "Raad eens", zegt Jan, en gaat met een brede grijns voor mij staan.
Ik weet uit ervaring dat je nooit de leeftijd moet raden van oudere mensen, en al zeker niet wanneer ze jou uitnodigen dat te doen.
Ik weiger dus, waarop Jan heel trots zegt: "Ik ben 70 en Els is 63!". Ik heb daarop gezegd dat ik het een hele prestatie vind dat zij van de Costa Brava, waar hun auto staat, helemaal hier naartoe gefietst zijn!
Tijdens de steile afdaling naar Molinaseca denk ik terug aan mijn ontmoeting gisteren met Lauren, een spontaan meisje met paardenstaart en sproeten uit North-Carolina.



Terwijl zij mij op de Camino voorbij wil lopen kijkt ze mij van opzij aan en houdt even de pas in. Zij zit duidelijk om een praatje verlegen. Binnen 5 minuten heeft ze mij verteld dat ze in Pamplona in haar eentje aan de Camino is begonnen, totdat zij onderweg een leuke jongen tegenkwam uit Tennessee. Zij is hopeloos verliefd, en ik ben de eerste, aan wie zij dat vertelt. Voortdurend kijkt zij achterom als om zich er van te vergewissen dat zij niet wordt afgeluisterd, maar er is in geen velden of wegen iemand te bekennen. Als ik haar zeg dat verliefd worden op een jongen uit de States meer perspectief biedt dan een romance met een Europese pelgrim, kijkt ze mij stralend aan.
In El Ganso moet zij afhaken, omdat haar reisgezellen daar in een café wachten, maar zij wil dat ik eerst mijn lovestory afmaak, waar zij ademloos naar heeft geluisterd. Ik houd haar voor dat verliefd zijn wanneer je 66 bent niet anders voelt dan zoals een meisje van 25 dat beleeft.
Als wij afscheid nemen hebben wij allebei de tranen in de ogen van ontroering, om wat de liefde in een mensenleven teweeg kan brengen.